KVK nummer: 63573415 info@eerstziendanleren.nl (0513) 41 56 40

gebruikerservaring

Reacties van leerkrachten en begeleiders

 

In groep 4 worden in verschillende taalmethodes de ‘doe-woorden’ aangeboden, samen met de ‘wie-doet-het-woorden’. Het is opvallend dat de leerlingen die in groep 3 het spel Eerst Zien Dan Zinnen Maken hebben gespeeld, zich deze leerstof veel sneller eigen maken dan de kinderen die het spel niet hebben gespeeld.
wie-adoen-awanneer-a1waar-a                                                   zin 1

Bas vond het oefenen van de auditieve synthese erg moeilijk waardoor hij steeds minder gemotiveerd werd. Wanneer ik een woord in aparte klanken noemde, had hij geen idee welk woord ik bedoelde. Bij het horen van de afzonderlijke klanken t-a-k, kon het woord voor hem ‘jas’ zijn of ‘bus’.
Door te oefenen met Eerst zien dan klanken horen  heeft hij geleerd om de synthese goed te doen.
Eerst heb ik de klanken en de synthese voor hem benoemd waarna hij het bijbehorende plaatje op de kaart mocht zoeken. Dan herhaalde ik de klanken (b-a-l). Hij wist nu door het plaatje meteen dat dit ‘bal’ was. Al snel herkende hij het woordbeeld op de grote kaart en kon zelf met behulp van het plaatje de synthese goed benoemen. We zijn begonnen met één kaart maar gebruikten al snel meer kaarten waardoor we het spel konden spelen. Hierdoor bleef het voor Bas leuk om steeds weer te oefenen (waarbij zijn grootste doel was om als eerste zijn kaarten vol te hebben).
Inmiddels zit hij in groep 3 en presteert gemiddeld op de toetsen van de leesmethode.

Annemarie, leerkracht groep 2

dasbal                                                        boen

Daan (groep 3) maakte altijd zinnen met een vervoeging van ‘gaan’ met het hele werkwoord. De eerste keer dat we het zinsbouwspel (Eerst zien dan zinnen maken) oefenden, wees hij het plaatje van ‘wie’ en ‘doen’ aan en zei: “Ik ga zagen”. Ik heb uitgelegd dat we het woord ‘gaan’ niet meer gebruikten en dat het ‘ik zaag’ moest zijn. Nog een paar keer heeft hij ‘gaan’ gebruikt maar de plaatjes gaven hem al snel steun om de goede vervoeging van het werkwoord te gebruiken. Af en toe hoor ik hem in spontaan taalgebruik nog wel eens een vervoeging van ‘gaan’ gebruiken. Wanneer ik dan zeg: “Weet je nog hoe we het met de kaartjes doen?”, lukt het nu ook om zonder de kaartjes een goed vervoegd werkwoord te gebruiken.
Voor Tim (groep 4) was het wat moeilijker om te onthouden hoe de werkwoorden worden vervoegd. Ik heb voor hem een rijtje gemaakt met de kaartjes van de persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, zij, hij, wij, jullie, de mensen) en steeds met een ‘doen’-kaartje alle vervoegingen benoemd. Het werd hem ineens duidelijk wat de bedoeling was en reageerde: “O, zit dat zo”.

Anna, remedial teacher

zin 1                                                        zin2

Eerst zien dan vertellen of de WAT kaartjes van Eerst zien dan zinnen maken zijn ook goed te gebruiken voor het oefenen van:  informatie geven en om informatie vragen.
Dit kan in de vorm van een raadspelletje. Iemand pakt een kaartje en beschrijft wat er te zien is. De ander mag een vraag stellen over het plaatje dat er bij hoort om meer informatie te krijgen.
Een andere mogelijkheid is dat de leerling raadt welk plaatje het is door informatie te vragen: “Is het buiten?”, “Kun je het eten?”, “Staan er mensen op het plaatje?” enzovoort.
De WIE kaartjes zijn te gebruiken om ‘wie is het’ te spelen (Is het een man? Heeft zij een muts op?, Draagt hij een bril?, Heeft ze een sjaal om?, Heeft hij krullen? enz.)

foto1                                                                               wat